5 dingen die je moet weten over vakantiegeld

De komende week worden bij veel mensen de salarissen overgemaakt. In mei betekent dat vaak dat er meer geld op de rekening staat dan in andere maanden. Dat komt door het vakantiegeld, een extra bedrag dat de meeste werknemers één keer per jaar ontvangen. Voor veel huishoudens is dat een welkom moment, zeker nu de zomervakantie dichterbij komt.

Vakantiegeld is geen bonus of cadeautje van de werkgever. Het is een wettelijk recht voor werknemers in loondienst. In de meeste gevallen bouw je maandelijks vakantiegeld op over je bruto salaris. Dat bedrag wordt meestal één keer per jaar uitbetaald, vaak in mei of juni. Wettelijk bedraagt het vakantiegeld minimaal 8 procent van het bruto jaarsalaris, al kunnen in cao’s of arbeidscontracten gunstigere afspraken staan.

Oorspronkelijk was vakantiegeld bedoeld om werknemers de mogelijkheid te geven om op vakantie te gaan. Tegenwoordig wordt het lang niet altijd aan een reis besteed. De één gebruikt het voor een vakantie naar Spanje, Frankrijk of Turkije, terwijl de ander het geld opzijzet, schulden aflost, de tuin aanpakt of een grote aankoop doet. Juist doordat het vakantiegeld vaak in één keer wordt uitgekeerd, voelt het voor veel mensen als extra financiële ruimte. Toch zijn er een paar dingen die handig zijn om te weten.

1

Vakantiegeld wordt NIET zwaarder belast

Veel mensen denken dat vakantiegeld zwaarder wordt belast dan het gewone salaris. Dat lijkt soms zo, omdat er op de loonstrook een hoger percentage loonheffing wordt ingehouden. Toch is vakantiegeld uiteindelijk gewoon inkomen. Bij de definitieve belastingaangifte wordt het meegenomen in je totale jaarinkomen.

Het verschil zit vooral in de manier waarop de loonheffing vooraf wordt berekend. Vakantiegeld valt onder bijzondere beloningen. Daarbij wordt rekening gehouden met het feit dat heffingskortingen meestal al via het gewone maandloon zijn verwerkt. Daardoor kan de inhouding op je vakantiegeld hoger lijken dan je gewend bent bij je normale salaris. Ook kan extra inkomen invloed hebben op de schijf of het verrekeningspercentage waarin je terechtkomt.

2

De meeste mensen krijgen het in mei of juni

De meeste werkgevers betalen het vakantiegeld uit in mei of juni. Dat is niet toevallig: deze periode valt vlak voor de zomer, het moment waarop veel mensen hun vakantie plannen of al geboekt hebben.

Ga je uit dienst, dan wordt het vakantiegeld meestal eerder afgerekend. Het bedrag dat je tot dat moment hebt opgebouwd, wordt dan doorgaans meegenomen in de eindafrekening. Je hoeft dus niet te wachten tot de reguliere uitbetalingsmaand van je voormalige werkgever.

3

Vakantiegeld zorgt voor een miljardenimpuls

Omdat miljoenen Nederlanders in dezelfde periode vakantiegeld ontvangen, komt er in korte tijd veel extra geld beschikbaar. Dat zorgt voor een duidelijke impuls in de Nederlandse economie. Reisorganisaties, webwinkels, bouwmarkten, tuincentra en meubelzaken merken vaak dat mensen in deze periode makkelijker grotere uitgaven doen.

Toch gaat lang niet al het vakantiegeld naar vakanties. Een deel wordt gebruikt om te sparen, om financiële gaten te dichten of om achterstallige betalingen weg te werken. Voor sommige huishoudens is vakantiegeld vooral een buffer. Voor anderen is het juist het bedrag waarmee een vakantie, nieuwe fiets, verbouwing of weekendje weg mogelijk wordt.

4

Ook bij veel uitkeringen bestaat recht op vakantiegeld

Niet alleen werknemers krijgen vakantiegeld. Ook bij veel uitkeringen bestaat recht op vakantiegeld. Ontvang je bijvoorbeeld een WW-, WIA-, WAO-, Wajong- of IOW-uitkering via UWV, dan bedraagt het vakantiegeld meestal 8 procent van je bruto-uitkering. Bij de meeste uitkeringen betaalt UWV dit in mei uit.

Er zijn wel uitzonderingen in de manier van uitbetalen. Bij een Ziektewet- of WAZO-uitkering is het vakantiegeld al verwerkt in de periodieke uitkering. Je krijgt dan dus niet nog een apart bedrag in mei. Ook bij sommige gemeentelijke regelingen kan de betaling anders lopen. Het is daarom verstandig om de specificatie van je uitkering goed te bekijken.

5

Minimaal 8 procent, maar soms meer

Voor werknemers in loondienst geldt dat het vakantiegeld minimaal 8 procent van het bruto jaarsalaris bedraagt. Dat is de wettelijke ondergrens. In de praktijk kan het bedrag hoger uitvallen als daarover afspraken zijn gemaakt in een cao, arbeidscontract of bedrijfsregeling.

De berekening gebeurt meestal over het loon dat je in een bepaalde opbouwperiode hebt verdiend. Werk je minder uren, ben je later in dienst gekomen of ben je halverwege het jaar uit dienst gegaan, dan bouw je naar verhouding minder vakantiegeld op. Op je loonstrook kun je vaak zien hoeveel vakantiegeld er tot dat moment is opgebouwd.